Techniek - Geluid en milieu

lijn1.gif (3257 bytes)

APK Keuringseisen

5.3 Bedrijfsauto's Motor

Artikel 5.3.11 - Geluid en milieu

Keuringseisen 

9. De uitlaatgassen van bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven gehalte koolwaterstoffen bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meet voorschriften in acht worden genomen. Het toegestane gehalte kan verschillend zijn afhankelijk van de datum van ingebruikneming van het voertuig en van de damp toegepaste uitlaatgasnabehandelingstechniek. 

Wijze van keuren: op deze eis wordt tot nader order niet getoetst.

Keuringseisen 

10. De uitlaatgassen van bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met compressieontsteking die in ﷓gebruik zijn genomen na 3 1 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze ﷓Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid met bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. 

Wijze van keuren

1. De controle geschiedt door meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een roetmeter die ten minste gedurende de door de fabrikant van tic opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.

2. Vr elke meting wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem en de verbindingskabels in goede staat verkeren, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen.

3. De sonde wordt op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.

4. Indien het uitlaatsysteem meer dan n uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot n uitmonding

5. De motorolietemperatuur wordt gemeten met behulp van een temperatuuropnemer welke op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter in de motor wordt ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken temperatuuropnemer moeten worden gevolgd. De temperatuuropnemer behoeft niet te worden ingebracht indien duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is.

6. Het stationair toerental en afregeltoerental moeten worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller. Zo nodig wordt het stationair toerental afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.

aanvulling 7 versie 10 2001 blz. 70

[ vorige pagina ]

lijn1.gif (3257 bytes)